Ik ben de dromer van de droom

De gangbare opvatting is, dat we als individuele persoonlijkheden in een vergankelijk lichaam een fysieke wereld bewonen, die gekenmerkt wordt door eindeloze verdeeldheid en complexiteit.
 
Volgens sommigen is de wereld door God geschapen (wat als enorm groot voordeel heeft dat we Hem lekker de schuld van alles kunnen geven), volgens anderen is het een gevolg van een Big Bang, die zelf blijkbaar geen oorzakelijke verklaring meer nodig heeft, waardoor alles uiteindelijk toch op toeval berust. Dan kunnen we in ieder geval alle ellende aan het noodlot wijten. Elk wereldbeeld is goed, zolang de oorzaak van ons lijden maar buiten ons gelegd kan worden.
 
Ondertussen heeft niemand ooit kunnen bewijzen dat er daadwerkelijk een wereld buiten ons waarnemingsvermogen bestaat. In de filosofie zijn het de realisten die geloven dat die wereld bestaat, idealisten geloven het niet. Ik vind de visie dat het niet meer dan een geloof is, het meest realistisch.
 
We kunnen niet voorbij ons eigen bewustzijn kijken. Pas als we ons een beeld van iets gevormd hebben, kunnen we het zien, maar wat we dan zien bestaat nog steeds in het bewustzijn. Iemand die blind is geboren en door een operatie gezichtsvermogen krijgt, ziet het in eerste instantie helemaal niet. Eerst moet de beeldvorming zich bij de geopereerde ontwikkelen volgens onze cultureel bepaalde normen. En als dat lukt, blijft het nog steeds de vraag of de werkelijkheid overeenkomt met ons visuele beeld, auditieve beeld, tastbeeld, geurbeeld, smaakbeeld – of taalbeeld. De Schotten bijvoorbeeld (niet de eskimo’s of Inuit) hebben 421 verschillende woorden voor sneeuw. Daarmee vorm je voor jezelf een beeld van dingen die anderen finaal over het hoofd zien. Maar ook dat zegt niets over het bestaan van een werkelijkheid buiten het beeldvormend bewustzijn.
 
Ik ga ervan uit dat de simpelste verklaring de beste is en dat betekent voor mij dat alles wat ik voor werkelijk houd, alleen in mijn bewustzijn bestaat, niet verschillend van een droom. Dat betekent niet dat ik onvermijdelijk m’n neus zal stoten tegen een muur die buiten mijn droom bestaat, want ik slaapwandel alleen in de droomwereld. Daarbuiten besta ik als individueel bewustzijn (in een lichaam met een neus) helemaal niet. Al die ideeën van individualiteit en afzonderlijkheid zijn allemaal deel van de droom.
 
Ik ben volkomen werkelijk, maar niet zoals ik droom dat ik ben.
 
Ik ben ook niet de droomfiguur maar de dromer van de droom. Ik ben in werkelijkheid geen lichaam en er bestaat geen wereld buiten mij.
 
De wereld van afgescheidenheid is een hallucinatie die ik uit een diepgewortelde angst voor God (ofwel de ene en ongedeelde werkelijkheid) onbewust in stand houd. Dat heeft niets met religie te maken, want alle religies zijn voortgekomen uit de hallucinatie en het verschrikkelijke godsbeeld dat ze ons voorhouden laat dat ook duidelijk zien.
 
Een bewustzijn dat zich denkt af te kunnen scheiden van de ongedeelde werkelijkheid, staat helemaal alleen en wordt – in zijn eigen beeldvorming – van alle kanten bedreigd. Dat is de existentiële angst die onze ervaringen in de droom bepaalt.
 
Ik geloof dat ik In werkelijkheid nog steeds ben zoals God mij als uitbreiding van Zijn eeuwige liefde heeft geschapen. Niet als een afzonderlijk individu maar als één ongedeelde geest, één met God. 
 
Mijn verlossing van de angst, mijn ontwaken uit de droom, heb ik helemaal zelf in de hand, want het is een kwestie van accepteren wat ik in werkelijkheid al volmaakt ben. Zolang ik zelfs niet een beetje bereid ben om dat te doen, lijkt het alsof God voor mij verborgen is, maar elke aarzelende stap van mijn kant brengt mijn geest al meer tot rust.
 
Elke gedachte die een ervaring van innerlijke vrede en een gewaarzijn van liefde brengt, komt voort uit een besef van de waarheid. 

Elke gedachte van angst (en elke variant ervan zoals schuldgevoel, schaamte, woede, verdriet, eenzaamheid, gemis) komt voort uit de illusie van afgescheidenheid en dat sluit  vrede en liefde uit. Vooral dat laatste is moeilijk te accepteren voor mijn ingebeelde slachtofferschap, maar ik doe het toch echt zelf. 
 
Er is altijd een andere interpretatie en dus een andere ervaring mogelijk. Als ik dat wezenlijke onderscheid tussen liefde en angst goed in de gaten houd, kan ik kiezen en dan laat mijn gevoel me vanzelf zien wat ik heb gekozen.
 
Omdat ik de wereld zelf bij elkaar droom, is het praktisch en zinvol om telkens van te voren (als ik een gesprek begin, de deur uitga, een winkel inloop, etc.) heel bewust het doel van mijn gedachten te kiezen. Dat bepaalt immers hoe ik de wereld ervaar. 
 
Als ik me op elk moment herinner dat mijn doel innerlijke vrede is, wordt het een heel andere ervaring dan wanneer ik het doel door het ego of afgescheidenheidsdenken laat bepalen. 
 
Ik zie wat ik wil zien. Alles komt voort uit mijn verlangen en niets komt onuitgenodigd in dit leven dat ik droom. Daarom moet ik me bewust worden van wat ik met heel mijn hart werkelijk wil en mezelf niet voor de gek houden, want dat is de bron van alle pijn. 
 
Ik kan erop vertrouwen dat mijn bewustwording, ongeacht hoe vaak ik ook struikel of val, stilletjes wordt geleid door een liefdevolle en eindeloos geduldige innerlijke wijsheid, want God is de geest die in mij leeft.

Stan